Annotatie bij de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam d.d. 22 december 2015, TvHB 2016/17

Publicaties

Twee natuurlijke personen hebben een bedrijfs­ruimte gehuurd. De huurders waren gezamenlijk contractueel huurder en zij waren op grond van de huurovereenkomst jegens de verhuurder hoof­delijk aansprakelijk voor alle uit de huurovereen­komst voortvloeiende verplichtingen. Eén van de huurders wordt in staat van faillissement ver­klaard, waarna de verhuurder overgaat tot opzeg­ging van de huurovereenkomst jegens beide huur­ders op grond van art. 39 Fw. Het hof overweegt dat wegens ondeelbaarheid van de huurovereenkomst de verhuurder in beginsel tot opzegging bevoegd is. De niet-gefailleerde huurder komt, op grond van de onsplitsbaarheid van het huurrecht, geen te hono­reren beroep op huurbescherming toe, aldus het gerechtshof. Het gerechtshof overweegt vervolgens wel dat tevens dient te worden onderzocht of de opzegging jegens de niet-failliete huurder misbruik van bevoegdheid oplevert. Uiteindelijk houdt de opzegging door de verhuurder geen stand ten opzichte van deze niet-ge­failleerde huurder, omdat de opzegging als mis­bruik van bevoegdheid wordt gekwalificeerd.

Bekijk artikel (pdf)